Papierformaten: de A-reeks, en waarom een vel geen formaat in pixels heeft
Een vel papier heeft een formaat in millimeters en helemaal geen formaat in pixels. Daarover gaat alles wat volgt, en het is wat men zich het vaakst omgekeerd voorstelt: een A4 meet altijd 210 bij 297 millimeter, en het wordt pas 2480 bij 3508 pixels zodra iemand een resolutie heeft gekozen.
De A-reeks vertrekt van één vierkante meter
De reeks is vastgelegd in de norm ISO 216. A0 meet 841 bij 1189 millimeter, wat op een fractie van een procent na één vierkante meter is. Elk volgend formaat is het vorige, dwars op de lange zijde gehalveerd: A1 is een halve A0, A2 een halve A1, en zo verder omlaag.
Een A4 is dus een zestiende vierkante meter, vier halveringen onder A0. Dat is geen toevalligheid om te onthouden maar de definitie zelf, en daarop steunen de twee volgende hoofdstukken.
De verhouding wortel twee, en waarom vouwen haar niet verandert
De A-reeks heeft een vorm die geen enkele andere familie bezit: halveer haar en je krijgt dezelfde vorm terug. Slechts één verhouding doet dat, en dat is de wortel uit twee, 1,4142. Een vel van 1 bij 1,4142 dwars gesneden geeft twee vellen van 0,7071 bij 1, oftewel dezelfde gedraaide rechthoek.
Daarom biedt een kopieerapparaat 141 procent en 71 procent aan. Van A4 naar A3 vermenigvuldigt elke zijde met de wortel uit twee; terug deelt erdoor. Geen marge hoeft herrekend, geen beeld wordt bijgesneden, en dat is de hele bedoeling van de reeks.
De pixelval
Een papierformaat is een fysiek formaat. Het heeft geen pixels zolang er geen resolutie gekozen is, en dezelfde A4 geeft voor elke resolutie een ander getal: 2480 bij 3508 pixels bij 300 punten per inch, geschreven 300 dpi, dan 1240 bij 1754 bij 150 dpi en 595 bij 842 bij 72 dpi.
Dat laatste paar is om nog een reden het kennen waard: 595 bij 842 is ook het formaat van een A4 in PostScript-punten, de eenheid waarin een PDF wordt opgemaakt, want een punt is precies een tweeënzeventigste inch. Een bestand dat 595 bij 842 meldt is niet laag van resolutie, het is in punten gemeten.
De reeksen B en C, en de envelop die het vel bevat
B ligt tussen twee A-formaten en C tussen een A en een B, elke reeks gebouwd op dezelfde halveringsregel. Het nut van C is postaal: een C4-envelop bevat een ongevouwen A4, een C5 een eenmaal gevouwen A4, een C6 een tweemaal gevouwen A4.
Daarin ligt de hele logica van de naam. Een envelop met C5 erop noemt niet zijn millimeters, hij noemt wat erin past, en meer hoeft men aan het loket niet te weten.
De Amerikaanse Letter hoort bij geen enkele reeks
Letter meet 8,5 bij 11 inch, oftewel 215,9 bij 279,4 millimeter: breder dan een A4 en korter. Zijn verhouding is 1,294 en niet de wortel uit twee, zodat halveren een rechthoek van een andere vorm geeft en de kopieertruc niet werkt.
Daarom drukt een document dat voor het ene is opgemaakt slecht af op het andere: de marges gaan niet mee, en passend maken laat een lege strook aan één rand. Geen van beide formaten heeft ongelijk; ze horen eenvoudig niet tot dezelfde familie.
Het grammage zegt wat het vel weegt
Papier wordt verkocht op massa per vierkante meter, en gewoon kantoorpapier weegt 80 gram per vierkante meter. Omdat een A4 een zestiende vierkante meter is, weegt een A4-vel daarvan precies vijf gram, en dat is de rekensom achter elke frankeerberekening.
Vier vellen en een envelop komen op net geen vijfentwintig gram, wat verklaart waar de eerste posttrap ligt. Dezelfde redenering geeft 2,5 gram voor een A5 en tien voor een A3.
Waarom deze pagina geen omrekenaar draagt
Een formaat is geen eenheid. A4 is de naam van een paar lengtes, geen hoeveelheid waarvan men meer of minder kan krijgen, en het in een omrekenaar zetten zou een schaal suggereren die niet bestaat.
De lengtes zelf laten zich wél omrekenen, en de site doet dat elders: millimeters naar inch voor de zijden, vierkante meters voor de oppervlakte. Wat hier thuishoort is de regel die de formaten verbindt, en dat is een regel over vorm.